Technieken

* Kaart en kompas
* Natuur
* Schatten
* Telefoon
* Handvaardigheid

Kaart en kompas

Wat moet je kennen en kunnen?

* Een kaart kunnen oriënteren door middel van een kompas.
* Een beschrijving kunnen geven van het kompas en het gebruik ervan.
* Een beschrijving kunnen geven van een topografische kaart.
* Alle symbolen kunnen benoemen op een kaart door middel van de legende.
* Afstanden kunnen omzetten met behulp van de verschillende soorten schalen.
* Weten wat een coördinaat is en dit kunnen gebruiken.
* Met kompas kunnen lopen op kaart en/of weg.
* Weten wat schieten, azimut en tegenazimut is en dit kunnen gebruiken.

Het oriënteren van een kaart:

Open de kaart en leg deze voor je uit. Vervolgens moet je eerst de richtingshoek Noord = 0 graden (of 360 graden) instellen op het kompas.
Het kompas in de Noord – richting op de kaart leggen en dit in de rechterbovenhoek.
De kaart met het kompas erop draaien tot de Noord – punt (het rode streepje) van de naald tussen de Noord – tekens (2 witte streepjes) van het kompas ligt.

Het kompas:

De topografische kaart:

Een kaart is een verkleining van de werkelijkheid, in een plat vlak gebracht, vereenvoudigd weergegeven en van toelichting voorzien.
De vereenvoudiging en de toelichting vind je terug in de legende en in de conventionele tekens.
Een topografische kaart of de gewone stafkaart zoals wij ze noemen mag men niet enkel bekijken als een aaneenschakeling van wegen.
Een stafkaart is veel meer. Een stafkaart is een zo gedetailleerd mogelijke weergave
van de werkelijkheid rondom je, een landschap op papier uitgetekend. In de eerste plaats vind je er de overheersende elementen van het landschap:
ik sta hier op een weg in een bos op de top van een heuvel.
Dat bos herken je aan de groene kleur en de top van de heuvel vind je terug door het interpreteren van de hoogtelijnen (een ingenieus systeem om het reliëf voor te stellen). Zo krijg je een algemene indruk maar je weet nog altijd niet waar in de Ardennen je je bevindt.
Daarom staan er op een stafkaart ook details. Zodat je ook de volgende kenmerken kan terugvinden: de weg waarop ik sta is een verharde weg, het bos is een dennenbos, links en rechts van de weg zie ik oplopende bermen en in de buurt is een paal te vinden.
De asfaltweg wordt voorgesteld door de rode kleur, het dennenbos door omgekeerde V – tjes.
Ingekapselde streepjes naast de weg stellen de oplopende bermen voor. Enzovoort.
Tenslotte vind je op een stafkaart ook een stukje geschiedenis van de streek. Zo kan je op de kaart lezen dat de bewoners dit bos "Bois du Chasselan" noem(d)en en deze specifieke plek de naam "Arzi" gaven/geven.
Namen waarvan de herkomst misschien vergeten is, maar die toch hun betekenis behielden.
De kaartsymbolen moet je nooit van buiten leren want daar is een kaartlegende voor die je steeds en altijd mag gebruiken.
Naar mate van gebruik zal je wel de voornaamste symbolen van buiten kennen wat zal leiden tot een goede kaartlezer.

De topografische kaart, alias de stafkaart, is een veel gebruikt instrument in de gids - en scoutwereld. Toch zwalpt menig persoon nog door de bossen met de kaart ondersteboven in de handen. Een beetje basiskennis is wellicht niet onbruikbaar. O ja, om te starten, even dit nog : “stafkaart” is de oude militaire naam.

Hierboven zie je een soort weergave van een stafkaart die wij gebruiken.
Hieronder dan vind je de uitleg wat je precis op die plaatsen kan vinden (waar een cijfertje staat).

Kaartnummer en -naam (1)
Het nummer bestaat uit één groot en één of twee kleine cijfers. Het grote cijfer verwijst naar het kaartblad, de twee kleine cijfers naar de onderverdeling. Handig om omliggende kaarten te bepalen.

Jaar van uitgifte (2) en herzieningsjaar (3)
In de rechterbovenhoek en linkeronderhoek vind je het jaar van uitgifte; hou er rekening mee dat de gegevens op publicatiedatum enkele jaar oud kunnen zijn. Kijk ook naar het herzieningsjaar, links onder (3). Dit is het jaar dat de gegevens nog eens nagekeken werden. Is het exemplaar van de kaart de laatste tien jaren herzien, dan is dit waarschijnlijk het meest recente.

Kaartlegende (4)
Onderaan de kaart vind je de legende: links de benaming van de verschillende symbolen en rechts de gebruikte afkortingen.

Lambertcoördinaten (5)
Indien op je kaart niet het UTM-vierkantnet gedrukt is, kan je zelf de Lambertcoördinaten gebruiken. Deze zijn niet getekend; je moet zelf de korte aanzetstreepjes (om de 4 of 5 cm, afhankelijk van de schaal) aan de rand van de kaart met elkaar verbinden, zodat je een net van vierkanten van 1km op 1km verkrijgt.

Kaartschaal (6) en (7)
Rechtsboven en onderaan in het midden vind je de schaalaanduiding (6). In het midden onderaan vind je ook een grafische schaal (7). Met een meetlatje kan je hier de afstanden uitrekenen.

Het UTM-vierkantnet (8)
Op de kaarten die de laatste jaren werden herdrukt, wordt het UTM-vierkantnet aangegeven door volle paarse lijnen. Deze lijnen vormen telkens vierkanten van 4 op 4 cm (wat bij een schaal van 1:25000 overeenkomt met 1 op 1 km). Deze vierkantjes zijn genummerd en handig voor het bepalen van coördinaten. Bij een schaal van 1:20000 zijn dit uiteraard vierkanten van 5 op 5 cm en in werkelijkheid ook terug 1 op 1km.

Hoogtelijneninterval (9)
Onder de metrische schaal vind je het hoogtelijneninterval. Dat is het hoogteverschil tussen twee opeenvolgende hoogtelijnen waaruit je dus kan afleiden hoe sterk de weg stijgt die je wilt volgen.

Declinatie (10)
Aan de rechterbovenzijde van de kaartrand vind je de declinatie of de afwijking tussen het magnetische noorden, waarnaar je kompas wijst, en het aardrijkskundige noorden. Let op: je moet de zwarte declinatie gebruiken als je de kaart naar het noorden oriënteert met je kompas langs de Lambertlijnen. Je moet de paarse declinatie gebruiken als je de kaart naar het noorden oriënteert met je kompas langs het paarse vierkantennet. Hier spreken wij ook wel eens van het magnetische en het werkelijke noorden.





Het gebruik van de schalen:

De weergave op een blad papier (hier de kaart) gebeurt volgens een bepaalde verhouding. Die verhouding noemen wij de schaal.
De verhouding van de verkleining wordt voorgesteld door een breuk, bijvoorbeeld 1/25.000.
Bij een "schaal" van 1/100.000 stelt 1 cm op de kaart 100.000 cm (= 1 km) voor.
Het is ook de gewoonte enigszins logische verhoudingen te gebruiken, zo heeft de kaart 1/75.896 nooit echt veel succes gehad.
De meeste kaarten die wij gebruiken zijn 1/20.000, 1/25.000 en 1/50.000.
Het berekenen van een afstand is afhankelijk van de soort schaal.

Hieronder vind je een klein schemaatje van de verschillende schalen en de berekening van 1km.

1/20.000
1 cm op kaart = 200 meter in werkelijkheid

5 cm op kaart = 1 km in werkelijkheid

1/25.000
1 cm op kaart = 250 meter in werkelijkheid
4 cm op kaart = 1 km in werkelijkheid

1/50.000
1 cm op kaart = 500 meter in werkelijkheid
2 cm op kaart = 1 km in werkelijkheid

Coördinaat :

Coördinaten op een kaart zijn een netwerk dat op of rond de kaart is aangebracht. Met die coördinaten kun je verwijzen naar bepaalde objecten of plaatsen die afgebeeld zijn op de kaart.

Je hebt 2 soorten coördinaten namelijk de Lambert-coördinaten en de UTM-coördinaten.

Lambert-coördinaten zijn de zwarte, grijsachtige aanzetstreepjes van het net op de zijkant van de kaart.

UTM-coördinaten. Dit is een militair “grid” (vierkantennet dus) dat sinds enkele jaren ook op de stafkaarten wordt aangebracht in paarse (magenta) opdruk. Dit vierkantennet vind je enkel op de vernieuwde kaarten.

Voor het uitzetten van een coördinaat kan je best een roomer gebruiken. Een roomer is een stevig stuk karton of doorzichtig plastiek waar een verdeling op staat van tien gelijke delen over een welbepaalde lengte, meestal één kilometer. Afhankelijk van de schaal: 2 cm, 4 cm of 5 cm. Met een roomer kan je de coördinaten juist meten zodat je niet moet schatten. Je kunt er ook nauwkeurig afstanden mee meten op de kaart. Let wel op dat je de juiste schaalverdeling op de roomer gebruikt voor de kaart waar je het coördinaat wilt uitzetten. Met een roomer kun je dus oftewel een gekregen coördinaat opzoeken of een coördinaat van een bepaald object bepalen. Hoe dit allemaal werkt zie je hier onder :
Leg de roomer met de rechterhoek (het nulpunt) op de te bepalen positie van de kaart en zorg ervoor dat de roomer evenwijdig ligt met de horizontale en verticale lijnen. Dit zijn de of de zelf getrokken lijnen vertrekkend vanuit de zwarte, grijsachtige aanzetstreepjes (het vierkantennet van de Lambert-coördinaten) of het paarse vierkantennet (voor de UTM-coördinaten).
Meet altijd van links naar rechts en van onder naar boven. Let erop dat coördinaten altijd beginnen met de coördinaat op de X-as gevolgd door de coördinaat op de Y-as. Deze zijn niet noodzakelijk gescheiden zijn door een schuine streep maar wel altijd even in aantal cijfers. De coördinaat 12854450 wil dus zeggen 1285 op de X-as en 4450 op de Y-as.
De 2 gedeelten van de X- en de Y-as worden dan op hun beurt ook nog eens verdeeld. De eerste cijfers (afhankelijk van een Lambert-coördinaat of een UTM-coördinaat) zijn terug te vinden op de kaart zelf. De resterende cijfers geven de onderverdeling terug van het stukje van het vierkantennet.

Schieten:

Draag het kompas rond je nek en klap het kompas open zodat je kijkt in de spiegel van het kompas. Nu zie je langs de kompasroos allemaal cijfertjes staan. Namelijk van 0 tot 360. De kompasroos kan je draaien, draai nu je kompas zodat het gegeven aantal graden bovenaan het kompas komt te staan. Dus op het punt dat het verste van je af ligt. Meestal staat dit aangegeven met een klein pijltje op het kompas. Draai nu het kompas net zo lang totdat het Noord – punt (het rode streepje) van het kompas tussen de Noord – tekens (de 2 witte streepjes) komt te staan.
Loop nu in de lengte, de richting van het kompas. Meestal is het handig om in de richting van een vast voorwerp te lopen (bv. Een boom of een paal, je kunt ook een persoon wegsturen) die in de lijn van het kompas staat. Vanaf dit voorwerp kan je vervolgens opnieuw de richting bekijken, zodat je afwijking klein blijft.

Azimut:

Je kunt ook de hoek mee meten tussen de noordrichting en het doel. Het doel kan een gewenste richting of een te peilen object zijn zoals een straat, een kerktoren, een boom of een geplaatste persoon. Het bepalen van een hoek noemen wij azimut schieten of vizieren. Verder op deze steekkaart gebruiken we alleen de term azimut. Het kompas dat wij gebruiken noemen wij ook wel eens het spiegelkompas omdat het een spiegeltje heeft onderaan het kompas.

Een azimut uitzetten gaat als volgt :

* Stel het aantal graden in op de vizierkorrel.
* Til het spiegelkompas op en hou het horizontaal in je hand, zodat de naald vrij kan roteren.
* Draai je lichaam ter plaatse zodat het noorden van de kompasnaald overeen komt met het noordteken op de windroos.
* Hou het kompas zo ver mogelijk van je oog, zodat je het doelobject zo klein mogelijk ziet in de vizierkeep
* Zet de spiegel zo dat je het hele kompashuis met de naald kan zien.
De middenstreep op de spiegel moet daarbij verticaal staan en precies over de as van de naald lopen.

Het azimut van een object bepalen, gemeten van één bepaalde plaats gaat als volgt : hier ga je omgekeerd te werk

* Til het spiegelkompas op en hou het horizontaal in je hand, zodat de naald vrij kan roteren.
* Draai je lichaam ter plaatse zodat het object te zien is in de vizierkeep.
* Hou het kompas zo ver mogelijk van je oog zodat je het doelobject zo klein mogelijk ziet in de vizierkeep.
* Draai ondertussen de windroos zo dat het noorden ervan overeenkomt met het noorden van de naald.
* Gebruik hiervoor de spiegel.
* Lees het aantal graden op de vizierkorrel en je hebt de gewenste hoek.

Tegenazimut:

Bij een tegenazimut ga je juist op dezelfde manier als bij een azimut te werk enkel dat je bij een tegenazimut van minder dan 180 graden plus 180 graden bijtelt. Bij een tegenazimut van meer dan 180 graden trek je 180 graden af. Zo simpel als pompwater zou ik zeggen.

Tegenazimut van 245 graden : 245 graden – 180 graden = 65 graden.
Tegenazimut van 80 graden : 80 graden + 180 graden = 260 graden.

Uiteraard leer je niet alles van kaart en kompas hier in deze cursus. Door veel te oefenen en raad te vragen aan ouderen zal je dit wel rap onder de knie krijgen.
Al spelend leren en in werkelijkheid oefenen is dus de boodschap.

Natuur

Wat moet je kunnen en kennen?

* Uitleg kunnen geven over de aangegeven sterrenbeelden.
* De sterrenbeelden kennen en kunnen aanduiden.

Sterrenbeelden:

Er zijn 88 officiële sterrenbeelden. Doorheen de tijden zijn er veel meer sterrenbeelden of verschillende namen voor hetzelfde sterrenbeeld geweest.
Elk volk heeft bv. wel een eigen naam voor de Grote Beer. De huidige 88 zijn een soort mix, vastgesteld door de International Astronomical Union.
Let wel op : niet alle 88 sterrenbeelden zijn te zien in België.
Natuurlijk is de “Grote Beer” en de “Kleine Beer” de belangrijkste sterrenbeelden die je nodig hebt voor het verdere verloop van je 2de klasse.
De “Grote Beer” en de “Kleine Beer” zijn het hele jaar door te zien net zoals de Cassiopeia; de Orion echter alleen tijdens de winter.
Op de volgende pagina zijn enkele sterrenbeelden getekend hoe zij te zien zijn vanuit één van de sterrenkundigencentrums en enkele gegevens betreffende de bovenstaande vernoemde sterrenbeelden.


De Grote Beer of Ursa Major
is één van de oudste sterrenbeelden en is de bekendste. Het sterrenbeeld is zeer gemakkelijk te vinden en is zeer goed waarneembaar. De sterrenpan wordt ook soms wel eens de steelpan genoemd. In een Cherokee - legende stelt de steel van de pan een groep jagers voor die de beer najagen vanaf dat hij in de lente hoog aan de hemel staat tot hij ondergaat op de herfstavonden.




De Kleine Beer of Ursa Minor (foto links) is ook een zeer gekend sterrenbeeld. Hier heb je ook een sterrenpan met op het einde een soort trapezium. De bekendste ster aan dit sterrenbeeld is natuurlijk de Poolster, deze ster staat op 820 lichtjaren en is zeer gemakkelijk te vinden aan de hemel. De Poolster is één van de helderste sterren aan de sterrenhemel.


 

Orion (foto rechts) is wellicht één van de bekendste sterrenbeelden van alle 88 sterrenbeelden. In de Griekse Mythologie was Orion, een reus en een groot jager.
De bekendste ster in dit sterrenbeeld is Betelgeuse en is Arabisch voor “huis der tweelingen”.


Het sterrenbeeld “Cassiopeia", is afstammend van de koningin Cassiopeia. Dit staat aan de sterrenhemel naast haar partner, Cepheus, de koning genoemd. Samen hadden zij een dochter Andromeda die ten zuiden van dit sterrenbeeld ligt. Het sterrenbeeld situeert zich tussen Perseus en Cepheus en is gedurende het volledige jaar te bewonderen.




Schatten

Wat moet je kunnen en kennen?

* Een breedte kunnen bepalen van een rivier of beek.
* Een hoogte kunnen bepalen van een boom of ander bepaald voorwerp.
* Je persoonlijk maten kennen en kunnen gebruiken.

Het bepalen van breedten:

Methode der driehoeken:
Neem een merkpunt (P) aan de overzijde van de breedte, plaats een merkpunt (A) loodrecht op de te bepalen breedte. Pas 10 meter (of meer) af en plaats dan terug een merkpunt (B) en pas dezelfde afstand terug af om nogmaals een merkpunt (C) te plaatsen.
Ga dan loodrecht achteruit vanaf het laatste geplaatste merkpunt (C) tot wanneer je het merkpunt (P) aan de overzijde en het middelste merkpunt (B) op één lijn ziet. De afstand die je hebt afgelegd komt overeen met de te bepalen breedte.




Methode van de steen.
Laat, als de breedte een rivier is, een steen aan de rand in het water vallen en volg de eerste golf.
Zodra deze eerste golf de overzijde heeft bereikt, moet je aan je kant van de rivier de golf afstappen.
Deze afstand is dan gelijk aan de breedte van de rivier.

Het bepalen van hoogten:

De vergelijkingsmethode.
De vergelijkingsmethode wordt ook nog wel eens de potloodmethode genoemd. Hier moet je wel de lengte van je vriend(in) (h) kennen vooraleer je de hoogte (H) gaat afpassen.

De methode der driehoeken
De methodes zoals ze in de figuren (hier boven en op de volgende bladzijde) te zien zijn berusten op het vergelijken van een driehoek met enkele gekende afmetingen waarvan de afmetingen te bepalen zijn. In beide driehoeken kennen wij altijd 2 afstanden die gelijkwaardig zijn.
Bijvoorbeeld bij de schaduwmethode plaats je een stok met een gekende lengte in de grond en je vergelijkt de lengte van zijn schaduw met de lengte van de schaduw van de te bepalen hoogte.
Het is dan ook duidelijk dat als de verhouding tussen 2 schaduwen gekend zijn, dat je door een eenvoudige vermenigvuldiging de hoogte kunt bepalen.
Het is natuurlijk ook belangrijk dat je je persoonlijke maten kent. Wanneer je deze maten goed kent en onderhoud dan kan je het bepalen van breedten en hoogten nauwkeurig schatten. Oefenen met je persoonlijke maten en een meetlat in de buurt is de boodschap.




Telefoon

Wat moet je kunnen en kennen?

* Een telefoonnummer kunnen opzoeken.
* De belangrijkste telefoonnummers kennen
* Bepaalde gegevens kunnen opzoeken in een telefoonboek.

Het telefoonboek:

Je kent waarschijnlijk wel je alfabet? Voor de rest kijk je even vooraan in het telefoonboek en daar zal je alle aanduidingen rond het opzoeken van een telefoonnummers vinden.
De belangrijkste gegevens zijn de naam van wie je het telefoonnummer wilt en de gemeente/stad waar zij/hij woont.
Dit laatste staat steeds bovenaan de pagina. Wanneer je dus iemand zoekt in Eeklo zoek je eerst Eeklo op bovenaan de pagina’s.
Dan pas begin je de naam op te zoeken. Deze 2 zoekopdrachten zijn zoals je een woord opzoekt in een woordenboek, alfabetisch dus.


Belangrijke telefoonnummers:

SOS – nummers
Deze SOS – nummers enkel bellen in dringende gevallen. De SOS – nummers zijn gratis en kunnen met elk toestel worden opgebeld. Met een GSM kan je zelfs naar deze SOS – nummers bellen zonder dat er een SIM – kaart in je GSM zit.

112 Europees noodnummer
100 Medische spoeddienst
100 Brandweer
101 Politie
110 Child Focus (Europees Centrum voor Vermiste en Seksueel Uitgebuite Kinderen)

Belangrijke hulpdiensten

105 Het Rode Kruis
070/245.245 Het antigifcentrum
09/240.34.90 Het brandwondencentrum
078/15.15.15 De drugslijn
078/15.14.13 Kinder – en jongerentelefoon

Bepaalde gegevens in het telefoonboek:

In een telefoonboek kan je verschillende gegevens opzoeken die je eventueel kunnen helpen bij dagelijkse problemen.
Zo kan je steeds het internationale telefoonverkeer terugvinden in het telefoonboek. Daarmee bedoelen wij de landnummers die elk land heeft.
Alle zonegegevens van België, alle postcodes, alle steden en deelgemeenten, … Als je even de tijd neemt en je doorleest de hoofdtitels van de eerste pagina’s dan zal je al veel weten over het telefoonboek en hoe je het verder moet gebruiken.


Handvaardigheid

Wat moet je kennen en kunnen:

* een gipsspoor kunnen maken
* een lekke band kunnen herstellen

Een gipsspoor

1. Het spoor reinigen van bladeren, takjes, …
2. Maak een rand rond het gipsspoor door bijvoorbeeld een kartonen randje, een bermpje van aarde, …
3. Wanneer je een kartonen randje gebruikt dit bevestigen.
4. De gips gelijkmatig ingieten en lang genoeg laten drogen.
5. De gips uithalen met behulp van een mes.
6. Het gipsspoor reinigen, afwassen en eventueel afwerken door het te schilderen, een voetstuk aan te maken,



Een lekke band

Bij een lekke band is het niet noodzakelijk het wiel volledig los te maken. Het is wel gemakkelijker maar doe dit slechts als je fiets er voor bestemd is zoals een mountainbike.
Normaal volstaat het als je de buitenband kunt losmaken. Als de binnenband hard wordt opgepompt en het lek is niet te klein, dan kun je met een vochtige hand de plaats van het lek bepalen doordat de wind die eruit komt je vochtige hand streelt. Bij klein lek of bij het niet direct vaststellen van een lek is het noodzakelijk een water emmer te gebruiken. Leg de band in de emmer en waar er zich belletjes vormen (door de lucht die nar buitenkomt) daar bevindt zich het lek. Daarna met schuurpapier of met een vijl de band ruw te maken. De speciale rubberlijm op de band aanbrengen en voldoende verspreiden. Even laten drogen is de boodschap vooraleer de plakker (rustine) aan te brengen. Stevig opdrukken en enkele volle minuten aanhouden. Nog eventjes wachten wanneer je de binnenband terug steek in de buitenband en oppompen. Zorg ervoor dat de binnenband niet tussen het wielvelg en de buitenband geklemd geraakt. Ziezo, klaar is kees.