Technieken

* Kaart en kompas
* Observatie
* Schatten
* Telefoon

Kaart en kompas

Weten wat een stafkaart is:

Een kaart is een verkleining van de werkelijkheid, in een plat vlak gebracht, vereenvoudigd weergegeven en van toelichting voorzien. De vereenvoudiging en de toelichting vind je terug in de legende en in de conventionele tekens.

Een topografische kaart of de gewone stafkaart zoals wij ze noemen mag men niet enkel bekijken als een aaneenschakeling van wegen. Een stafkaart is veel meer. Een stafkaart is een zo gedetailleerd mogelijke weergave van de werkelijkheid rondom je, een landschap op papier uitgetekend. In de eerste plaats vind je er de overheersende elementen van het landschap: ik sta hier op een weg in een bos op de top van een heuvel. Dat bos herken je aan de groene kleur en de top van de heuvel vind je terug door het interpreteren van de hoogtelijnen (een ingenieus systeem om het reliëf voor te stellen). Zo krijg je een algemene indruk maar je weet nog altijd niet waar in de Ardennen je je bevindt. Daarom staan er op een stafkaart ook details. Zodat je ook de volgende kenmerken kan terugvinden: de weg waarop ik sta is een verharde weg, het bos is een dennenbos, links en rechts van de weg zie ik oplopende bermen en in de buurt is een paal te vinden. De asfaltweg wordt voorgesteld door de rode kleur, het dennenbos door omgekeerde V – tjes. Ingekapselde streepjes naast de weg stellen de oplopende bermen voor. Enzovoort. Tenslotte vind je op een stafkaart ook een stukje geschiedenis van de streek. Zo kan je op de kaart lezen dat de bewoners dit bos "Bois du Chasselan" noem(d)en en deze specifieke plek de naam "Arzi" gaven/geven. Namen waarvan de herkomst misschien vergeten is, maar die toch hun betekenis behielden. De kaartsymbolen moet je nooit van buiten leren want daar is een kaartlegende voor die je steeds en altijd mag gebruiken. Naar mate van gebruik zal je wel de voornaamste symbolen van buiten kennen wat zal leiden tot een goede kaartlezer.

Weten wat een schaal is en deze gebruiken:

De weergave op een blad papier (hier de kaart) gebeurt volgens een bepaalde verhouding. Die verhouding noemen wij de schaal.
De verhouding van de verkleining wordt voorgesteld door een breuk, bijvoorbeeld 1/25.000.

Bij een "schaal" van 1/100.000 stelt 1 cm op de kaart 100.000 cm (= 1 km) voor.
Het is ook de gewoonte enigszins logische verhoudingen te gebruiken, zo heeft de kaart 1/75.896 nooit echt veel succes gehad.

De meeste kaarten die wij gebruiken zijn 1/20.000, 1/25.000 en 1/50.000.
Het berekenen van een afstand is afhankelijk van de soort schaal.

Hieronder vind je een klein schemaatje van de verschillende schalen en de berekening van 1km.

1/20.000
1 cm op kaart = 200 meter in werkelijkheid

5 cm op kaart = 1 km in werkelijkheid

1/25.000
1 cm op kaart = 250 meter in werkelijkheid
4 cm op kaart = 1 km in werkelijkheid

1/50.000
1 cm op kaart = 500 meter in werkelijkheid
2 cm op kaart = 1 km in werkelijkheid

Een windroos kunnen teken met de acht windstreken en hun graden.:

Windroos en gradenverdeling : de windroos op een kompas of landkaart is een hulpmiddel om aan de hand van het noorden de andere windstreken te bepalen, ten opzichte van jezelf of van markante punten op het terrein of de kaart. Denk erom dat de denkbeeldige lijn Noorden – Zuiden over de polen van de aarde loopt en dat de Oost – West lijn evenwijdig aan de evenaar ligt. De vier hoofdwindstreken kruisen elkaar onder een hoek van 90°. Teneinde meer nauwkeurige richtingsbepalingen mogelijk te maken, worden de hoeken steeds opnieuw gehalveerd.

Hoofdwindstreken :
Het Noorden en het Zuiden.
Het Oosten en het Westen.

Tussen – windstreken :
Noord Oost
Zuid Oost
Zuid West
Noord West

Tussen – tussen – windstreken :
Noord Noord Oost
Oost Noord Oost
Oost Zuid Oost
Zuid Zuid Oost
Zuid Zuid West
West Zuid West
Noord Noord West
West Noord West

Voor het opstellen van de tussen – windstreken moet je steeds de belangrijkste (Noorden en Zuiden) hoofdwindstreken eerst gebruiken. Voorbeeld : Noord (1ste) Oost (2de)

Voor de tussen – tussen – windstreken moet je gewoon eerst de hoofdwindstreken plaatsen en dan pas de gemaakte tussen – windstreken. Voorbeeld : Zuid (1ste) Zuid Oost (2de)
Aardrijkskundig noorden: dit is de werkelijke richting van de Noordpool, deze is steeds op kaarten aangeduid.

Een kaart kunnen oriënteren met een kompas:

Open de kaart en leg deze voor je uit. Vervolgens moet je eerst de richtingshoek
Noord = 0 graden (of 360 graden) instellen op het kompas. Het kompas in de Noord – richting op de kaart leggen en dit in de rechterbovenhoek. De kaart met het kompas erop draaien tot de Noord – punt (het rode streepje) van de naald tussen de Noord – tekens (2 witte streepjes) van het kompas ligt.

Het kompas:


Observatie

Spoortekens en hun betekenis kennen:

* Beginspoor
* Te volgen weg
* Versnelde pas
* Verboden weg
* Verkeerd spoor
* Gevaar
* Onbewoond kamp
* Bewoond kamp
* Ondrinkbaar water
* Drinkbaar water
* Hindernis
* Splitsen
* Zoekopdracht (cirkel)
* Zoekopdracht (vierkant)
* Eindspoor

Beginspoor


Drie cirkels van groot naar klein. De kleine cirkel duidt de wandelrichting aan.




Te volgen weg

Een dikke streep met op het uiteinde een pijl. De pijl duidt de wandelrichting aan. Verschillende variaties op dit spoorteken.


  
Versnelde pas

Een dikke streep met op het uiteinde twee pijlen.
De pijlen duiden de wandelrichting aan en wijzen erop dat men moet versnellen tot aan het volgende spoorteken.



Verboden weg


Waar men niet mag inslaan wordt door een dik kruis aangetoond. Dit spoorteken wordt ook wel “taboe” genoemd.



Verkeerd spoor


Wanneer men op het verkeerde pad is, wordt dit spoorteken gebruikt.
De “Z” met op de twee uiteinden telkens een pijl, wordt ook wel “dwaalspoor” genoemd.



Gevaar

Gevaar wordt door een driehoek weergegeven. Dit spoorteken staat nooit alleen.
Er zal altijd een te volgen weg of iets dergelijks bijstaan om de verdere wandelrichting aan te duiden.



Onbewoond kamp


Dit wil zeggen dat het aangeduide gebouw, kampterrein, kampverblijf niet bewoond is.


Bewoond kamp

Dit wil zeggen dat het aangeduide gebouw, kampterrein, kampverblijf bewoond is.


Ondrinkbaar water

Dit spoorteken duidt dus aan dat het water in de buurt niet drinkbaar is.

Drinkbaar water

Dit spoorteken duidt aan dat er hier drinkbaar water te vinden is.

Hindernis

Dit spoorteken duidt erop aan dat er een hindernis moet worden overgestoken. Hier gaat meestal over een dwarsliggende weg.


Splitsen

Dit spoorteken duidt aan dat er gesplitst moet worden in het nest/patrouille.
Afhankelijk van het aantal personen splits men naar het aangeduide getal op het spoorteken.
Verschillende variaties op dit spoorteken mogelijk.





Zoekopdracht (cirkel)

De cirkel duidt aan dat het in de omgeving is en het cijfer de omtrek. Zoeken in de omgeving met een maximum omtrek van 20 meter.
Het middelpunt is steeds het spoorteken. Hier moet men dus zoeken in de omgeving en dit max. 20 meter in de omtrek.



Zoekopdracht (vierkant)

Het vierkant duidt de richting aan (de pijl) en hoe ver het is (het getal in de onderste driehoek).
Het tweede getal duidt de hoogte aan (dit in de meest linkse driehoek).
Hier moet men 3 meter naar rechts zoeken en dan 2 meter in de hoogte.



Eindspoor

Drie cirkels in elkaar duiden aan dat dit het einde is van de spoortocht.


Schatten

Je persoonlijke maten kennen en kunnen gebruiken:

Een bijzonder handig hulpmiddel bij het bepalen van de afmetingen van iets, zijn je persoonlijke maten.
Als je bijvoorbeeld weet dat jouw gespreide hand van de top van je duim tot de top van je pink 16cm bedraagt, kan je al veel makkelijker bepaalde afstanden en oppervlakten “schatten”.

Als je nu je matenkennis niet alleen beperkt tot je gespreide hand, maar uitbreidt tot andere lichaamsdelen, dan beschik je steeds over een gemakkelijk meettoestel namelijk je eigen lichaam en zijn onderdelen.

Enkele handige maten zijn te zien op de onderstaande figuur. Meet deze en onthou ze als persoonlijke maten. Voor één ding moet je wel opletten! Controleer regelmatig of je persoonlijke maten nog kloppen, vergeet niet dat je elke dag een beetje groeit.

Je persoonlijke pas kennen en kunnen gebruiken:



Om een bepaalde afstand “ten velde” te kunnen schatten is het noodzakelijk dat je weet hoe groot je persoonlijke pas is. Nog beter : hoeveel passen heb je nodig om honderd meter te overbruggen?
Dit kom je te weten door eerst honderd meter af te passen met een rolmeter naast je. Daarbij gebruik je je normale wandelstap. Niet proberen dus om zo groot mogelijk passen te nemen.

Ook de ondergrond speelt een rol : op mul zand zal je automatisch kleinere passen nemen dan op een harde ondergrond. Hou daar dus rekening mee!








Telefoon

Kunnen telefoneren naar een gekende persoon:

Je wil telefoneren naar een persoon, wiens telefoonnummer je kent.

Methode :

* Haak de hoorn af en wacht op de kiestoon wat gelijk is aan een ononderbroken toon.
* Draai of toets het gekende telefoonnummer in.
* Wacht op een toon :

Ofwel krijg je een beltoon en wacht je tot de persoon opneemt.
Ofwel krijg je de bezettoon wat gelijk staat aan korte, onderbroken tonen. Dit wil zeggen dat het toestel van de persoon in kwestie bezet is. Hang dus op en probeer later opnieuw.

Ofwel krijg je een overbelastingstoon wat gelijk staat aan heel korte, onderbroken tonen die elkaar snel opvolgen. Dit wil zeggen dat de telefoonlijn overbelast is of dat het nummer niet bestaat. Later opnieuw proberen is hier ook de boodschap na het telefoonnummer nogmaals te hebben gecontroleerd.

* Begin je telefoongesprek steeds met te zeggen wie je bent en te vragen met wie je spreekt.
* Wees beleefd tijdens je telefoongesprek.
* Na het gesprek haak de telefoon gewoon in.

Kunnen telefoneren vanuit een telefooncel:

In principe gelden hier dezelfde regels als hierboven al vermeld staat.
Als je met geld werkt let er dan wel op dat je genoeg of tijdig geld bijvoegt.
Erg handig is natuurlijk een “telecard”, waarvan je in speciale telefooncellen kunt gebruik maken zonder enig pasgeld te gebruiken. Hierbij volstaat het om na de kiestoon je kaart in de gleuf te stoppen en die na het beëindigen van het gesprek terug te nemen. Normaal springt deze automatisch uit de gleuf van wanneer je inhaakt.

Een telefoonboek kunnen gebruiken:

Je kent waarschijnlijk wel je alfabet? Voor de rest kijk je even vooraan in het telefoonboek en daar zal je alle aanduidingen rond het opzoeken van een telefoonnummers vinden.
De belangrijkste gegevens zijn de naam van wie je het telefoonnummer wilt en de gemeente/stad waar zij/hij woont.
Dit laatste staat steeds bovenaan de pagina. Wanneer je dus iemand zoekt in Eeklo zoek je eerst Eeklo op bovenaan de pagina’s.
Dan pas begin je de naam op te zoeken. Deze 2 zoekopdrachten zijn zoals je een woord opzoekt in een woordenboek, alfabetisch dus.